Weerkundig woordenboek: Z

Zacht
Term die kan voorkomen in een weersverwachting. Het verschil tussen de maximum temperatuur en de normale temperatuur bedraagt dan +5 t/m +10°C terwijl de maximum temperatuur 19°C of lager moet zijn. Zie ook temperatuurterm.
Zachte ruige rijp
Broze ruige rijp, voornamelijk bestaande uit dunne ijsnaaldjes of ijsschubben.
Zadelgebied
Een gebied dat zich bevindt op het kruispunt en tussen de invloeden van twee hogedrukgebieden en twee lagedrukgebieden, Een zadelgebeid kenmerkt zich altijd door een zeer rustig weerbeeld. Er wordt een drietal zadelgebeiden onderscheiden: het symmetrische zadelgebied, het cyclonale zadelgebied en het anticyclonale zadelgebied.
Zandhoos
(ook: stofhoos) Kleine, meestal ongevaarlijke wervelwind, die soms boven sterk verhitte zandgronden te zien is. In tegenstelling tot de windhoos en de tornado, ontstaan ze niet in een wolk ten gevolge van grote onstabiliteit in de atmosfeer, maar aan het aardoppervlak. Het zijn in feite wervelende thermiekbellen, die een hoop zand en stof in de vorm van een slurf doen opwaaien. In Nederland zijn ze op een warme zomerdag nog al eens op de Veluwe waar te nemen. Op onze breedte zijn ze meestal niet hoger dan enkele meters, maar in de subtropische woestijnen kunnen zij zich ontwikkelen tot kortdurende zandstormen die zand en stof kilometers hoog doen opwervelen. De wind wordt ook wel dust devil genoemd. Vanwege de plaatsgebondenheid kunnen ze als lokale winden worden beschouwd.
Zandstorm
(ook: stofstorm) Meteorologisch verschijnsel dat kan optreden in kale en droge gebieden waar de wind over fijnkorrelig bodemmateriaal waait. Stof of zand wordt door een sterke en turbulente wind met kracht tot grote hoogten opgewaaid. De voorkant van een stofstorm of een zandstorm rijst soms vrijwel verticaal op als een lange hoge muur van stof en zand. In de 19de11-06-2018 21:04p in de VS, met een hoogtepunt in 1934.
Z.B.
Zuiderbreedte, het equivalent van noorderbreedte (zie aldaar).
Zee
Zoutwaterlichaam, voor zover dit niet op een continent ligt en omgeven is door land. Zeeën hebben in het algemeen een geringe diepte en grenzen meestal aan een continent. Per jaar verdampt onder invloed van de zonnewarmte een hoeveelheid zeewater overeenkomend met een laag ter dikte van 125 cm. Via de kringloop van het water komt dit water ook weer terug. Het water in oceanen en zeeën is voortdurend in beweging als gevolg van zeestromen, golfwerking en het getij. Net als de oceanen hebben de zeeën een grote invloed op de klimaten van het aangrenzende land.
Voor benamingen van de windkracht op zee, klik hier.
Zeebeving
Aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van een oceaan ligt. Wanneer daarbij de zeebodem plotseling in verticale zin een sterke verandering ondergaat, wordt ook het zeeoppervlak sterk verstoord. Er breiden zich dan vanuit het epicentrum in alle richtingen golven uit, die met grote snelheid over de oppervlakte van de oceaan lopen. Als deze golven de kust bereiken, kunnen brandingsgolven van tientallen meters hoogte ontstaan.
Zeebries
Een bries in de kuststreken vooral tijdens de namiddag. De zeebries ontstaat doordat overdag het land sterk gaat opwarmen en de lucht daar gaat stijgen (lokaal lagedrukgebied). Deze wordt dan vervangen door koelere lucht van boven zee (lokaal hogedrukgebied).
Zeegang
Golven op zee, als direct gevolg van de heersende wind. De hoogte, die een golf kan bereiken, hangt verder af van de diepte van het water. Golven worden bijna nooit hoger dan 1/7 tot 1/10 van de waterdiepte. De afstand tussen twee golftoppen is de golflengte, uitgedrukt in meters. Het tijdsverloop tussen het passeren van twee golfkammen bij een bepaald vast punt wordt golfperiode genoemd, uitgedrukt in seconden.
Bij voldoende waterdiepte en een voldoende lange periode met een heersende windsnelheid geldt het volgende overzicht (zie tabel):
Windkracht in Beaufort Te verwachten golfhoogte in mtr Windkracht in Beaufort Te verwachten golfhoogte in mtr
0 - 7 4,0
1 0,1 8 5,5
2 0,2 9 7,0
3 0,6 10 9,0
4 1,0 11 11,5
5 2,0 12 14,0
6 3,0  
Zeeklimaat
Klimaat dat wordt gekenmerkt door regenrijke en vrij zachte winters, vrij koele zomers, een geringe dagelijkse gang van de grondtemperatuur, grote vochtigheid en een gemiddeld grote bedekkingsgraad van de bewolking. Dit klimaat wordt gevonden in gebieden die grenzen aan een zee of een groot meer. Voorwaarde is dat onder de gemiddelde meteorologische omstandigheden de luchtaanvoer inderdaad doorgaans van zee komt. Voorbeelden van gebieden met een typisch zeeklimaat zijn Nederland en België. Onder invloed van de gemiddelde ligging van de grote druksystemen, hoge luchtdruk boven de Azoren en lage luchtdruk boven de noordelijke Atlantische Oceaan, heeft Nederland gemiddeld met een stroming uit westzuidwest te maken, die zachte en vochtige lucht aanvoert.
Zeer dichte mist
We spreken van zeer dichte mist als het horizontale zicht minder is dan 50 meter. Deze term kan voorkomen in de dagelijkse weerberichten op radio en TV.
Zeer-korte-termijnverwachting
(ook: nowcasting) Een weersverwachting geldig voor de heel korte periode van 0 tot 3 uur vooruit. Deze verwachting zegt bijvoorbeeld iets over individuele onweerscomplexen, het tijdstip van het optrekken van mist, een nauwkeurige beschrijving van de passage van een front e. d. Typische hulpmiddelen voor dit doel zijn de laatst binnengekomen weerrapporten en radaren satellietinformatie. De inbreng van de meteoroloog in de zeer-korte-termijnverwachting is zeer groot.
Zeer koud
Zie ook temperatuurterm.
Het verschil tussen de maximum temperatuur en de normale temperatuur bedraagt -8°C of meer.
Zeer-lange-termijnverwachting
Weersverwachting voor perioden langer dan 10 dagen vooruit. Deze verwachtingen hebben geen praktische waarde en zijn alleen van belang voor onderzoeksdoeleinden.
Zeer lichte sneeuw
De sneeuwval bedraagt tot 0,5 mm per uur en het zicht is dan nog steeds 2 tot 4 km.
Zie ook intensiteit.
Zeerook
Mist die ontstaat boven wateroppervlakken wanneer het koud is. Het relatief warmere water verdampt, de waterdamp koelt af door de lage luchttemperatuur en geraakt al snel volledig verzadigd. Het komt in alle seizoenen voor, behalve tijdens de zomerperiode.
Zeer strenge vorst
Er is sprake van zeer strenge vorst indien de minimumtemperatuur lager is dan -15°C.
Zeer warm
Zie temperatuurterm.
Zeer zacht
Zie temperatuurterm.
Zeer zware regen
Zie intensiteit.
Zeer zware sneeuw
Zie intensiteit.
Zeer zware storm
Benaming, zowel op land zee, van de windkracht 11 schaal van Beaufort.
Het KNMI definieert een zeer zware storm als volgt: op één van de KNMI-stations moet boven land het uurgemiddelde van de windsnelheid tenminste 28,5 m/sec (103 km/uur) bedragen.
In de laatste vijftig jaar is het aantal zeer zware stormen precies op de één hand te tellen. In 1972, 1973, 1976, 1978 en 1990 kwam 11 Beaufort als uurgemiddelde op de windmeters te staan.
Zeer zware windstoot
Er is sprake van een zeer zware windstoot als deze een windsnelheid heeft van 56 knopen of meer.
Zeespiegeldaling
Daling van de hoogte van de zeespiegel. Deze hoogte wordt in Nederland uitgedrukt in NAP (Normaal Amsterdams Peil). Men maakt een onderscheid tussen een absolute zeespiegeldaling en een relatieve zeespiegeldaling. Bij een absolute daling daalt de zeespiegel daadwerkelijk, bijvoorbeeld omdat door extreme koude de polen aangroeien. Van een relatieve zeespiegeldaling is reeds sprake als het zeeniveau daalt ten opzichte van het land.
Zeespiegelstijging
Stijging van de hoogte van de zeespiegel. Deze hoogte wordt in Nederland uitgedrukt in Normaal Amsterdams Peil (NAP). Men kan een onderscheid maken tussen de absolute zeespiegelstijging en de relatieve zeespiegelstijging. Bij een absolute stijging stijgt de zeespiegel daadwerkelijk, bijvoorbeeld omdat het landijs of ijs op de polen smelt. Van een relatieve zeespiegelstijging is reeds sprake als het zeeniveau stijgt ten opzichte van het land. Door het broeikaseffect zou in de toekomst sprake kunnen zijn van een zeespiegelstijging.
Zeestroming
Grote doorgaande beweging (verplaatsing) van het zeewater buiten de werking van het getij. De zeestromingen hebben een grote invloed op de klimaten. Onderscheiden worden warme en koude zeestromingen. Klimaten onder invloed van een warme zeestroming zijn doorgaans zacht en regenrijk. Koude zeestromingen veroorzaken vaak een koud en regenarm klimaat. Bekende zeestromingen zijn de Alaska-stroming, de Aleoetenstroming, de Californië-stroming, de Golfstroom en de Labradorstroming.
Zeestroom
Waterstroom in de oceanen en zeeën. Zeestromen vormen in de oceanen uitgebreide patronen, zowel aan de oppervlakte als in de diepte. Er zijn verschillende vormen: Ten eerste is er de getijbeweging, die haar energie ontleent aan de aantrekkingskracht die door zon en maan op de aarde wordt uitgeoefend (getijstromen). Ten tweede is er de stroming als gevolg van verschillen in waterdruk. Wanneer de waterdruk niet overal gelijk is, dan zal de natuur trachten dat verschil door een compenserende stroming op te heffen. Verschillen in waterdruk kunnen ontstaan door dichtheidsverschillen tussen waterpakketten. Een derde vorm is de driftstroom, die een direct gevolg is van de wind. Tenslotte zijn er nog compensatiestromen, die ontstaan als het water van een driftstroom tegen een kust wordt opgestuwd. Door de draaiing van de aarde volgen de stromen soms andere routes dan men op grond van bovengenoemde oorzaken zou verwachten. De zeestromen hebben daardoor op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond een afwijking naar links (Coriolis-kracht).
Zeevlam
Zeevlam is mist boven zee die bij aanvankelijk mooi weer door een opstekende zeewind het land wordt opgeblazen.
Zeevlam ontstaat doordat warme lucht is aangevoerd over het (in de lente en begin van de zomer) nog relatief koude zeewater. Die lucht koelt dan af. En omdat koude lucht minder waterdamp (vocht in gasvorm) kan bevatten dan warme, wordt het daarmee dreigende overschot omgezet in vloeibare vorm tw. zwevende waterdruppeltjes, een wolk vlak boven het wateropeervlak: ofwel mist.
Zeevlam is vanaf het zonnige strand vaak al de hele dag te zien als een grijze laag in de verte boven het water.
Zeewatertemperatuur
Temperatuur van het oppervlaktewater in de zee. Deze grootheid is in de meteorologie van groot belang. De eigenschappen van lucht die over een groot wateroppervlak strijkt, worden in hoge mate door het wateroppervlak bepaald. Voor de bepaling van de oppervlaktetemperatuur van het zeewater wordt een puts (emmer), met een inhoud van 4 tot 6 liter, gevuld met ten minste 3 liter zeewater. De temperatuur wordt vervolgens zo snel mogelijk gemeten.
Zeewaterthermometer
Instrument waarmee de oppervlaktetemperatuur van zeewater gemeten wordt. De zeewaterthermometer bestaat uit twee delen: de thermometer zelf en een metalen huis met waterreservoir. De thermometer is een glasthermometer met in het capillair (= zeer dunne buis) boven het kwik een hoeveelheid stikstof onder lage druk, waardoor het breken van de kwikdraad wordt voorkomen. De schaal loopt van -4 tot +36° Celsius, onderverdeeld in 1/5 delen van een graad. Het waterreservoir blijft tijdens het aflezen gevuld met (zee)water, zodat de thermometer zich niet snel aan de luchttemperatuur kan aanpassen. Het zal duidelijk zijn dat de aflezing wel snel gedaan moet worden.
Zeewind
Oplandige-, aanlandige wind; wind van zee. Zie ook zeebries.
Zeewindcirculatie
Stelsel van luchtstromingen na het invallen van zeewind. Boven land ontstaat bij grote aanwarming een thermisch lagedrukgebied en daardoor een stijgende beweging van de lucht. Op enige hoogte, tot enkele honderden meters, trekt de lucht zeewaarts. Enkele kilometers verder boven zee daalt de lucht door afkoeling en stroomt weer in de richting van de kust.
Zenit
Punt van de hemel recht boven het hoofd van de waarnemer.
Zicht
Afstand waarop een voorwerp, van bepaalde grootte, te zien en te herkennen is. Onderscheiden worden het dagzicht en het nachtzicht. Op zich heeft de overgang van daglicht naar duisternis of omgekeerd geen invloed op het zicht. Alleen meteorologische omstandigheden veroorzaken zichtveranderingen.
Op de meeste waarnemingsstations wordt het zicht geschat door de waarnemer aan de hand van een aantal zichtmerken. Zichtmeting vindt ook plaats met behulp van een transmissometer of een strooilichtmeter. Beide instrumenten meten de doorlatendheid van de lucht tussen een lichtbron en een lichtgevoelige cel.
De mate van uitdoving van een bundel licht door die lucht, de zgn. extinctie, is een maat voor het heersende zicht. Vooral ten behoeve van de scheepvaart wordt het zicht opgegeven in drie klassen: slecht « 4 km zicht), matig (4-10 km zicht) of goed (> 10 km zicht).
Zichtmerk
Bekend en herkenbaar object, aan de hand waarvan een waarnemer het zicht kan schatten. Zichtmerken kunnen zijn bomen, huizen, torens, enz. Op een kaart zijn de zichtmerken aangegeven, voorzien van de richting en de bekende afstanden van het waarnemingspunt tot aan die zichtmerken. Zichtmerken moeten in alle richtingen worden gekozen.
Zoeloe-tijd
Andere benaming voor Greenwich Mean Time, die komt uit het internationaal alfabet, waarin de letter z met Zoeloe wordt aangeduid. Tegenover deze tijdmaat staat de alfa-tijd (van a = alfa), waarmee de plaatselijke tijd wordt bedoeld.
Zomer
Één van de 4 seizoenen. De astronomische zomer start rond 22 juni, wanneer de dagperiode het langst is en de nachtperiode het kortst. De meteorologische zomer telt de maanden juni, juli en augustus. Het is in dit seizoen dat meestal de hoogste temperaturen worden opgetekend. Ook in dit seizoen telt men de meeste onweersdagen.
Zomercijfer volgens IJnsen
Net als bij de winters heeft IJnsen een getal ontwikkeld dat rekening houdt met meerdere aspecten van een zomer. Voor meer uitleg hierover zie de speciale pagina die hieraan gewijd is.
Zomerse dag
Een dag waarop de maximum temperatuur een waarde bereikt heeft ≥ 25°C.
Eerste zomerse dag
Zon
Is de ster van ons zonnestelsel die het weer maakt op onze aarde. Het is de leverancier van energie voor alle atmosferische processen. De zon is niet klein: ze heeft een straal die 696.000 kilometer is (109 keer de straal van de aarde), heeft bijna 12.000 keer de oppervlakte van onze aardbol en de inhoud ervan is meer dan 1.300.000 keer deze van de aarde. De temperatuur aan de opervlakte bedraagt ongeveer 5800 graden Kelvin (gemiddeld).
Zonaal
Evenwijdig aan de breedtecirkels.
Zonale circulatie
Één van de drie hoofdcirculatietypen uit de circulatieclassificatie. De gemiddelde stroming loopt ongeveer evenwijdig aan de breedtegraden. Het subtropisch maximum verandert weinig van plaats. Voorbeelden van zonale circulaties zijn de westcirculatie en de ombuigende westelijke circulatie. Met name bij de westcirculatie hoort in onze omgeving een sterk wisselend weerbeeld, omdat er in zon stroming nogal eens actieve storingen meetrekken.
Zonda
Lokale wind in Argentinië. De wind is vernoemd naar de plaats Zonda, aan de voet van het Andesgebergte. Het is een warme westelijke valwind met föhneigenschappen, die helemaal vanuit de Andes tot aan de Argentijnse kust waait.
Zonkracht
De zonkracht is een maat voor de hoeveelheid ultraviolette straling (UV) in het zonlicht die de aarde bereikt. De zonkracht neemt toe naarmate de zon hoger staat en varieert met de seizoenen en het moment van de dag. Warmte heeft geen invloed: op een koele zonnige dag kan de zonkracht even sterk of sterker zijn dan op een warme dag. Wel is de hoeveelheid UV afhankelijk van wolken, vocht of stof in de atmosfeer en van de hoeveelheid ozon.
De zonkracht (UV-index) kan in ons land kan variëren van 0, wanneer er geen UV is tot 10 voor de maximale hoeveelheid UV-zonlicht. In landen dichter bij de evenaar en in de bergen kan de zonkracht een waarde van 15 of hoger halen. Bij een lage zonkracht (0-4) verbrandt de huid minder snel dan bij een hoge zonkracht (7-10 en hoger). De zonkracht hangt ook af van de hoeveelheid bewolking: op een zonnige dag is er meer UV-zonlicht dan wanneer er bewolking is.
Zonkrachtschaal:
Zonkracht of
UV index
Omschrijving Roodkleuring onbeschermde huid na ... minuten Huid verbrandt
1 - 2 Vrijwel geen 100 - 50 Niet
3 - 4 Zwak 35 - 25 Nauwelijks
5 - 6 Matig 25 - 15 Gemakkelijk
7 - 8 Sterk 15 - 10 Snel
9 - ∞ Zeer sterk minder dan 10 Zeer snel

Zonneactiviteit
Verzamelnaam voor energierijke verschijnselen op de zon, zoals zonnevlammen en zonnevlekken. Bij een hoge zonneactiviteit zendt de zon extra veel elektrisch geladen deeltjes uit, die in de magnetosfeer van de aarde terecht kunnen komen en daar verstoringen in het magnetisch veld, en daardoor in intercontinentale radioverbindingen, kunnen veroorzaken.
Zonneconstante
Hoeveelheid zonne-energie, die aan de rand van de atmosfeer van de aarde per minuut loodrecht invalt op 1 cm2. Deze constante bedraagt ongeveer 1400 Joules per m2 per seconde en varieert met ongeveer 2%.
Zonnehelling
Kant van een berg die gericht is naar de zon. Op het noordelijk halfrond is dit de zuidkant van de berg, op het zuidelijk halfrond de noordkant. Op de zonnehelling schijnt de zon meer uren per dag dan op de schaduwhelling, waardoor de temperatuur er hoger is. Bepaalde gewassen zullen daarom niet op de schaduwhelling, maar wel op de zonnehelling verbouwd kunnen worden. Het bekendste voorbeeld is de wijnbouw, die vaak alleen aan de zonkant van de berg geconcentreerd is. De hoogtegordels en vegetatiegordels zullen op de zonnehelling op grotere hoogte liggen dan op de schaduwhelling.
Zonneschijnautograaf van Campbell-Stokes
(ook: zonneschijnmeter, zonneschrijver} Instrument om de duur van de zonneschijn te meten. Het bestaat uit een massieve glazen bol, geklemd in een frame. De bol fungeert als een brandglas, dat, zolang de zon schijnt, een brandspoor achterlaat op een i n het frame geschoven strook speciaal soort papier. Op deze strook is een uurverdeling aangebracht. Zo kan men bepalen hoe lang en op welke tijdstippen de zon heeft geschenen.
Zonneschijnterm
In weersverwachtingen gebruikte terminologie met betrekking tot de hoeveelheid zonneschijn in relatie tot de hoeveelheid bewolking.
Zonnevlam
Krachtige uitbarsting vlak boven het oppervlak van de zon met een levensduur van enkele minuten tot enkele uren. Soms is een zonnevlam ook als wit licht zichtbaar. Bij krachtige zonnevlammen wordt materie het heelal in geblazen met snelheden van enkele honderden kilometers per seconde. Zonnevlammen treden vooral op tijdens een activiteitsmaximum van de zon.
Zonnevlek
Gebied op het zonsoppervlak dat koeler is dan de omgeving en daardoor donkerder lijkt.
Zonnig
Een dag waarop de gemiddelde bedekkingsgraad van 7, 11, 15 en 19 uur minder dan 1/8 bedraagt en het op geen enkel moment van die dag meer dan 2/8 bedekt is.
Zonkracht
De zonkracht is een maat voor de hoeveelheid ultraviolette straling (UV) in het zonlicht die de aarde bereikt. Het UV-zonlicht neemt toe naarmate de zon hoger staat en varieert met de seizoenenen het moment van de dag. 's Zomers, als de zon veel hoger staat dan 's winters, is het UV zeker tien keer zo sterk.
Zonloos
Een dag waarop de zon in het geheel niet heeft geschenen. De bedekkingsgraad bedraagt de gehele dag 8 achtsten.
Zonsgetij
Getij dat ontstaat als gevolg van de aantrekkingskracht van de zon op het water van de aarde.
Zonshoogte
(ook: zonnestand) Hoek waaronder de zon boven de horizon staat. De zonshoogte varieert in de loop van een dag als gevolg van de draaiing van de aarde om haar eigen as. De zonshoogte varieert ook in de loop van het jaar als gevolg van het feit dat de aarde rond de zon draait, terwijl de richting waarin de aardas staat hetzelfde blijft. Hoe verticaler de zonnestralen invallen, des te warmer het wordt: de zonnestralen leggen een kortere weg door de dampkring af en verwarmen dan met een gelijke energiebundel een in verhouding klein oppervlak.
Zonsondergang
Het moment dat de zon volledig onder de horizon verdwenen is.
Zonsopkomst
Het moment dat de zon aan de horizon verschijnt.
Zonsverduistering
Situatie waarbij de zonneschijf door de maan bedekt wordt. De maan bevindt zich precies tussen de zon en de aarde. Dit verschijnsel doet zich voor wanneer de nieuwe maan zich in het aardbaanvlak en de waarnemer zich in het gebied van de kernschaduw bevindt: een gebied op het aardoppervlak, met een diameter van ca. 200 km, dat met een snelheid van ongeveer 1000 km per uur over de aarde schuift. Zolang de waarnemer zich hier bevindt (maximaal ca. 8 minuten), ziet hij de zon totaal verduisterd en kunnen de corona van de zon en de heldere sterren worden waargenomen. Zonsverduisteringen zijn van groot belang, omdat ze de vrij zeldzame mogelijkheid bieden tot bestudering van de buitenste lagen van de zon.
Zuidcirculatie
Één van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De zuidcirculatie is een meridionale circulatie. Er strekt zich een zone van hoge luchtdruk uit over het oosten van Europa, van Finland tot aan de oostelijke Middellandse Zee. In de bijbehorende zuidelijke stroming trekken storingen in onze richting en wordt warme tropische lucht (TL) vanuit de tropen rechtstreeks naar onze omgeving gevoerd.
Zuidelijke wind
Wind, die ongeveer uit het zuiden waait, tussen zuidzuidwest en zuidzuidoost.
Zuidelijk halfrond
Deel van de aarde dat ligt tussen de evenaar en de zuidpool (90° ZB).
Zuiderbreedte
(ZB) Breedteligging van een plaats op het zuidelijk halfrond. Een plaats kan op maximaal 90° ZB liggen.
Zuiderlicht
Zie poollicht.
Zuidföhn
Föhn, waarbij de lucht van zuid naar noord over de Alpen stroomt. De lucht, die aan de Italiaanse kant van de Alpen wordt gedwongen op te stijgen, is van origine, vanwege de zuidelijke oorsprong, doorgaans al vrij warm. De temperaturen kunnen daardoor aan de lijzijde van het Alpen massief flink oplopen. Deze lokale wind ontstaat bij een lagedrukgebied boven Frankrijk, of in ieder geval ten westen of noordwesten van de Alpen, en een hogedrukgebied ten oosten van de Alpen.
Zuidoostcirculatie
Één van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De zuidoostcirculatie is een meridionale circulatie. Er strekt zich een uitgebreide hogedrukzone uit over de noordelijke Atlantische Oceaan, over Scandinavië en over Rusland. Zuidoostenwinden voeren, afhankelijk van het jaargetijde, warme dan wel koude lucht aan.
Zuidpool
Naast de geografische zuidpool en de geografische noordpool kennen we de magnetische polen. Dit zijn de plaatsen waar de magnetische krachten loodrecht op het aardoppervlak zijn gericht. De magnetische zuidpool (die natuurkundig gezien een noordpool is) heeft als coördinaten 67° ZB en 142° WL. Doordat de magnetische polen niet vastliggen, maar langzaam bewegen in de buurt van de geografische polen, liggen deze coördinaten niet vast.
Zuidwestcirculatie
Één van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De zuidwestcirculatie is een half-meridionale circulatie. Er strekt zich een uitgebreide hogedrukzone uit over het zuidoosten van Europa. De bijbehorende zuidwestenwinden voeren maritiem tropische lucht naar onze omgeving.
Zuil
Optisch verschijnsel ontstaan door lichtbreking in ijskristallen (Cirrus); zichtbaar bij opkomende of ondergaande zon.
Zuurstof
Het belangrijkste gas in de atmosfeer voor het leven op onze aarde. Ongeveer 21% van de atmosfeer bestaat uit zuurstof.
Zwaar bewolkt
Term die in een weersverwachting kan voorkomen. Bedoeld wordt een verwachte bedekkingsgraad van de bewolking van zeven achtste of meer, overeenkomend met een zonneschijnpercentage van 0 tot 20%. Deze term wordt zowel voor overdag als 's nachts gebruikt.
Zwaar onweer
Dit is het geval als er in vijf minuten minstens vijfhonderd ontladingen worden geregistreerd. Zie ook onweer.
Zwak front
Een front waarbij nauwelijks significante weersverschijnselen waargenomen worden. De passage van een zwak front wordt vaak alleen door enkele wolkenvelden gemarkeerd. Het tegenovergestelde is een actief front.
Zwakke wind
Benaming op land van de windkrachten 1 en 2 op de schaal van Beaufort. Zie ook: Beaufort.
Zware regen
Zie ook intensiteit.
Zware sneeuw
Zie ook intensiteit.
Zware storm
Voor de klimatologie daat een storm als een zware storm de archieven in als de wind op een officieel weerstation een uurgemiddelde bereikt van minstens windkracht 10 (24,5 tot 28,4 m/sec of 88,2 tot 102,2 km/h). De benaming geldt zowel op land als op zee. Zie ook: Beaufort.
Zware windstoot
Windstoot met een windsnelheid van 41 knopen of meer.
Zwoel weer
Zwoel weer treedt in feite onder dezelfde omstandigheden op als wanneer er sprake is van drukkend weer: het is een combinatie van relatief hoge temperatuur met een hoge vochtigheidsgraad.
Van zwoel weer spreek je echter meestal wanneer het avond of nacht is, terwijl van drukkend weer gesproken wordt wanneer overdag deze omstandigheden zich voordoen.

Voor het laatst bijgewerkt op 3-3-2023. Opmerkingen of wil je reageren: stuur een e-mail